De majoor heeft al een boek (I)

Voorwoord

Een periode met weinig nieuws wordt komkommertijd genoemd. Op schaakgebied geldt dit op clubniveau voor de maand augustus omdat de eigen en externe competities stilliggen. Om die periode te helpen overbruggen is uit eigen ervaring geput waarbij enige relatie met schaken een klein beetje aanwezig is af en toe, zonder de hoofdzaak te zijn. Vandaag verschijnt de eerste aflevering en de beide volgende delen worden met tussenpozen van twee weken gepubliceerd. Kunnen we ons in september weer met het echte werk gaan bezig houden.


Voorjaar 2019
Proloog

Met het vinden van een paar spullen uit militaire dienst in een oude enveloppe, kwamen herinneringen naar boven en daarna het besluit om een en ander uit de diensttijd voor mijn (klein)kinderen vast te leggen. Het begon vijfenvijftig jaar geleden en dus staat niet alles meer even helder op het netvlies maar wel tamelijk veel, naar schatting 85 à 90 procent. Het resterende deel kan heel goed waar zijn geweest, maar is ook hier en daar een beetje extra ingekleurd en met enige fantasie bewerkt. En mocht na het lezen de conclusie zijn dat het met de verveling in dienst wel meeviel, dan klopt dat slechts in heel beperkte mate!

Voorjaar 1964
Keuring

De dienstplicht is in ons land niet afgeschaft, de opkomstplicht wel in zekere zin want die is officieel opgeschort in 1997. Als je voldoende gezond van lichaam en geest werd bevonden, viel er niet aan te ontkomen, je moest in militaire dienst tenzij er sprake was van vrijstelling. Tijdens de keuring op ABOHZIS in het voorjaar van 1964 mocht een voorkeur worden aangegeven en dat werd de Koninklijke Luchtmacht en wel de opleiding tot vlieger. Met in het achterhoofd een overstap naar een maatschappij zoals de KLM als burgerpiloot, ooit een keer. Dat plan werd in de kiem gesmoord bleek later uit de oproepbrief omdat ik een bril droeg, toen al. En er waren voldoende kandidaten zonder bril beschikbaar plus een lengte die beter paste in de cockpit van een straaljager. Als troost had men besloten tot indeling bij de een-na-zwaarste opleiding van de KLu, Reserve Officier GRondVerdediging in plaats van de zwaarste met een uitval van circa driekwart in het eerste jaar. Het doorgaande kwart had een reële kans om daadwerkelijk vlieger te worden.

September 1964 – januari 1965
Opleiding

Half september 1964 diende ik mij te melden bij de Trip van Zoudtlandtkazerne in Breda voor het begin van eenentwintig maanden militaire dienst. Met frisse tegenzin, want na zo’n periode met een studie beginnen bijvoorbeeld, valt vies tegen werd van alle kanten aangegeven. Zonder nog enig idee wat te gaan doen na de diensttijd mede door het ontwaken uit de pilotendroom. De tweede dag ontvingen de inmiddels door een onverschillige kapper kort geknipte rekruten hun uniform plus uitrusting en weer wat later het militair paspoort en identiteitsplaatje dat je geacht werd aan een kettinkje om de hals te dragen en door ons het dodenplaatje werd genoemd.

 

 

 

 

 

 

 

Het wennen aan de nieuwe situatie viel niet mee en betekende voor een paar jongens een zodanig grote cultuurschok, dat zij binnen een maand alsnog met S5 de burgermaatschappij weer konden opzoeken. Privacy bestond niet met slaapvertrekken voor zestien man in acht stapelbedden, een standaard bloempotkapsel voor iedereen, verplicht (en snel) douchen in alle vroegte met zes douches in één grote ruimte, ontbijt met zijn allen waarna om acht uur de lessen begonnen.

Een beetje privacy vond je alleen op een toilet, een stuk of zes naast elkaar, gescheiden door dunne wandjes en van binnen te sluiten (dat wel, hoera) waar je even op jezelf was. En de tijd ook nuttig kon besteden met het lezen van de binnenkant van de deur, volgeklad met opzienbarende mededelingen en limericks. Het algemene niveau valt het best samen te vatten onder de noemer ‘behoorlijk schunnig’ en de deuren werden om de paar maanden gereinigd en opnieuw geschilderd waarna het proces van voren af aan begon.

De opleiding bestond uit leren schieten met pistool (FN) en pistoolmitrailleur (uzi) en het blindelings demonteren, onderhouden en weer in elkaar zetten van de wapens, klassikaal les in militaire rangen en standen, ongewapend en gewapend gevecht (met een bajonet op de uzi), oefenen met traangasgranaten plus gasmasker in een afgesloten bunker en veel, heel veel sport vooral op de stormbaan (tijgeren!) alsook exercitie en marcheren. In de kazerne waren geen moeders aanwezig om kleding te vouwen en bedden op te maken, dat moest je zelf doen volgens nauwkeurige voorschriften en het lukt me nog steeds.

Om twee uur ’s nachts ging soms het oefenalarm af met een mars voor de boeg van 60 à 80 kilometer, met volledige bepakking, op het laatst althans. Dat was heel iets anders dan de gymlessen van Jac Goor op de brave RHBS in Zwolle. Ik heb mij nooit fitter meer gevoeld en in een betere conditie dan na die eerste drie à vier maanden. We kregen les van beroepssergeanten en sommigen zaten zelf tijdens schriftelijke overhoringen te leren op vakken waarin wij eerder dat jaar eindexamen hadden gedaan. Dat was nodig om officier te kunnen worden en wij hielpen mee, ik heb regelmatig bullebakachtige instructeurs woordjes overhoord en meetkunde opgaven uitgelegd. De meesten liepen tegen de veertig en ik vond het stoer van ze en ook aandoenlijk. Buiten het leslokaal waren de verhoudingen weer ‘normaal.’

De uitval bij onze opleiding was door de jaren heen ongeveer de helft en om een lang verhaal iets korter te maken, daar hoorde ik ook bij. De reden ‘niet militair genoeg’ werd mij kortaf medegedeeld door een arrogante kapitein, die een aantal jaren later mr. Pieter van Vollenhoven onder zijn speciale hoede kreeg. Die was natuurlijk wel militair genoeg, want de kapitein zal ongetwijfeld hebben geweten van een schoonvader als Inspecteur-generaal der Krijgsmacht. Daar sta je dan, als afgetest soldaat want zo werd het genoemd. Hoe nu verder? Daar had de luchtmacht wel een oplossing voor.

Januari 1965 – maart 1965
Erle

Het was de periode van de Koude Oorlog en dat betekende een reeks bases in Europa, uitgerust met luchtdoelraketten voor de verdediging van het NAVO-grondgebied. Nederland leverde als bijdrage vijf Geleide Wapen Groepen in de Bondsrepubliek Duitsland. In Erle werd de basis ingericht voor 2 GGW, behorende tot het 221 Squadron, operationeel sinds 1963 en bestond uit drie sites op een onderlinge afstand van een paar kilometer in de vorm van een driehoek: de lanceerinstallatie met opslag voor de Nike Hercules-raketten, het commandocentrum inclusief radarstation en de hoofdgebouwen met alle voorzieningen, die nodig zijn voor ruim 1500 man. De sites waren omheind door stevig gaas met een hoogte van ruim twee meter en bovenop een naar buiten gerichte prikkeldraad constructie. Een soort Jurassic Park met heel andere bewoners. Meer dan de helft was beroeps, de rest dienstplichtig en allemaal mannen in een Nederlandse militaire enclave in Duitsland, die vrij kort bestaan heeft, want het squadron werd in 1975 opgeheven. Deze informatie bevat geen staatsgeheimen, het is op internet te vinden.

Het personeel bestond uit specialisten, onderhoudsmensen, allerlei technici, wapenofficieren, chauffeurs, een medische staf, koks en aalmoezeniers. Er was een administratieve afdeling en een garage met toebehoren plus het KMT, Katholiek Militair Tehuis, even buiten de toegangspoort. Het café (want dat is een MT vooral) werd beheerd door een burgerechtpaar. Het leger kende ook PMT’s van Protestant, ik heb geen notie van het praktische verschil want in beide tehuizen waren alle gezindten welkom met de katholieke jongens misschien net iets beter wat innemen betreft. De hele handel stond formeel onder leiding van de basis- of squadroncommandant, die over een privéwoning beschikte op een kleine afstand voorbij het KMT. De dagelijkse leiding berustte bij de adjudant, hij had het meest met de commandant te maken en was het hoofd van de administratie. Een doorgewinterde beroepsmilitair die het klappen van de zweep kende, algemeen geacht werd en een noordelijk accent had. Vanaf het begin konden we goed met elkaar opschieten.

Beveiliging en bewaking

De sites moesten natuurlijk bewaakt worden en dat is een taak voor de grondverdediging, de naam zegt het al. Ziedaar de oplossing voor afvallers uit Breda! De bewaking werd op sterkte gebracht via een beroep op andere bases in Nederland en die wisten het wel: zij stuurden hun grootste dwarsliggers en Breda leverde afgeteste kandidaten. De laatste zeventien maanden was ik in Erle gelegerd in het meest bonte gezelschap dat maar denkbaar is. De samenstelling veranderde regelmatig omdat oudgedienden met groot verlof gingen en nieuwelingen voor aanvulling zorgden maar bont bleef het, vooral in het begin een zeer gevarieerd afvoerputje…

Door de week was sprake van drie diensten van acht uur per etmaal met aflossingen om 8.00, 16.00 en 0.00 uur. De bezetting bestond uit minimaal twee militairen per site plus een wachtcommandant, die ‘overal’ kon zijn en daarom over een jeep beschikte. Een dienstperiode duurde een week en werd ’s nachts de nachtwacht genoemd net als in de tijd van Rembrandt. In de weekeinden vonden de wisselingen plaats om middernacht en op het middaguur, met een dienst van twaalf uur. Ter onderscheid had ons uniform een witte koppelriem en droegen we een witte helm. We werden geacht niet alleen de toegang met hek en slagbomen in de gaten te houden, maar ook langs de binnenzijde van de omrastering werd gepatrouilleerd en op het complex zelf. Bewakingseenheden zijn daarom niet erg populair bij de andere manschappen en dat geldt vooral het Regiment van Heutsz bij de landmacht. De onderlinge saamhorigheid werd er sterker door. Het meest heb ik opgetrokken met Hans uit Amsterdam en vaak tegen elkaar geschaakt, Frits uit een buurtschap achter Oldenzaal (beiden al bekend van Breda) en Dirk, geboren in Katwijk en als straatschoffie opgegroeid in Den Haag in wat nu een sociale achterstandswijk wordt genoemd. Hij was een van de dwarsliggers van elders en viel op door obscene en grove taal in plat Haags en een bromfiets waarmee hij op en neer reed wanneer hij verlof had. Want hij wilde in zijn vrije tijd onder geen beding ook maar iets met het leger te maken hebben en dus ook niet met het militaire vervoer naar en van het station in Winterswijk. We hebben nooit begrepen dat hij door de keuring is gekomen, hij zelf ook niet maar dacht dat ‘ze’ hem hebben willen naaien via goedkeuring. Van zijn taalgebruik waren we niet gediend en hebben gezamenlijk getracht hem op te voeden zodat hij bij het afzwaaien toch nog iets positiefs aan zijn diensttijd heeft kunnen overhouden. De bromfiets werd ook voor andere zaken gebruikt, verderop meer daarover. Op vrijdagmiddag kon je om 16.30 uur met een luchtmacht busje mee naar Winterswijk dat op zondagavond om 23.00 uur, na de laatste trein, bij het station klaar stond voor vervoer terug naar de basis.

April 1965 – juli 1965
Verveling

Het grootste probleem was verveling. Dat pakten we gezamenlijk aan door te schaken (er zijn 52 partijen bewaard gebleven met twee remises en ook twee keer verlies), klaverjassen, biljarten in het KMT en zwemmen in het zwembad van een stadje verderop. Daar hebben we elkaar zodanig opgejut dat we tenslotte zelfs van de 10-meter toren doken om vooral geen gezichtsverlies te lijden en voor watje te worden uitgemaakt. Een Duitse zwemleraar heeft ons de fijne kneepjes bijgebracht.
En individueel ieder op zijn eigen manier, ikzelf vooral door te lezen met ondermeer altijd twee delen van het Handboek voor de gevorderde schaker van Euwe en een bridgeboek van Culbertson onder handbereik en de intensieve briefwisseling met vriendin, later verloofde nu mijn vrouw. Bestaat dat nog, verloving? Een mooi woord trouwens, er zit love in.

En dan nog hield je tijd over. Via de LOI werden cursussen aangevraagd en gevolgd, betaald door het leger, daar was men heel ruimhartig in. Aan Italiaans heb ik veel plezier beleefd en een cursus computertechnologie sprak erg aan, computers waren al aan hun niet te stuiten opmars begonnen destijds. Toen nog niet wetende dat het de oplossing in zich hield voor de vraag ‘wat te gaan doen na de diensttijd.’

En nog steeds was er tijd over. De uitdrukking ledigheid is des duivels oorkussen kon je om je heen werkelijkheid zien worden. We gingen ook wel eens naar een dorpskroeg in Erle en waren altijd welkom. Het uniform was aanleiding voor diepgaande gesprekken over de oorlog waarin wij korte metten maakten met opborrelende schuldgevoelens. Bedenk wel dat het einde van de oorlog nog maar twintig jaar geleden was. De Duitse gastheren stonden er op om ons bier te betalen waar wij geen bezwaar tegen hadden. Alleen Dirk kon je er met goed fatsoen niet bij hebben omdat hij altijd weer begon te zeuren over teruggeven van gestolen fietsen.

Wedstrijd

De bewakingseenheid diende haar vaardigheden met FN en uzi te onderhouden en dat gebeurde door te oefenen op de schietbanen van een Britse basis, verderop in Duitsland. Men beschikte ook over zware machinegeweren waar we van de Engelsen mee mochten schieten en ik bleek een ongedachte gave te hebben, zomaar, gratis en voor niks! Na een paar keer proberen onder leiding van de Engelse instructeur was alles, maar dan ook letterlijk alles recht in de roos. Staand met pistool en uzi hield het niet over, maar liggend achter dat zware geweer viel alles op zijn plaats, ik heb er geen verklaring voor en ben al helemaal geen wapenfanaat. Later alleen nog een keer op kleiduiven geschoten met onze oudste zoon als ludiek onderdeel van een pa-zonen dag. De jaarlijkse schietwedstrijden tussen NAVO-bases onderling had nog geen Nederlands succes gekend. De bewuste Britse basis organiseerde de ontmoeting in juli en de GGW zou in mijn persoon voor de eerste keer uitkomen in de klasse ‘zwaar machinegeweer.’ Met één klein probleem: deelname was merkwaardig genoeg alleen voor officieren. Dat bleek een futiliteit te zijn want onze adjudant regelde het tenue van een luitenant. Mijn voorkeur was luitenant-kolonel, maar de adjudant – die ik graag mocht en zoals gezegd goed mee overweg kon – vroeg of ik soms helemaal besodemieterd was. Ten eerste was ik daarvoor te jong (hij zei het anders, iets met melkmuil) en ten tweede kende hij geen enkele overste die zelfs maar vanaf twee meter een staldeur kon raken.

Alle schietwedstrijden besloegen twee dagen en mijn klasse kende twaalf deelnemers, Engelsen, Duitsers en dus één Nederlander. De volgorde werd geloot en na een proefschot begon de wedstrijd van tien schoten per dag over een afstand van 1000 yards, een dikke 900 meter. Voor het wapen een fluitje van een cent want dat kon met gemak vele kilometers aan. We schoten beurtelings met hetzelfde wapen in dezelfde beginpositie, ook het vizier, wat werd verzorgd door de wapenmeester (plus het laden met één patroon) en assistentie aan het eind van de schietbaan voor het verwisselen van de roos in de goede volgorde. Als je aan de beurt was, mocht je alle tijd nemen. Eerst achter het wapen ‘met de pik in het zand’ (je kunt het leger voor van alles uitmaken, maar fijnbesnaard hoort daar zeker niet bij) en een opgetrokken knie in een soort driehoek voor de optimale houding. Een eerste blik door het vizier en beginnen met scherpstellen, de afstand was bekend en hoefde dus niet geschat te worden. Het wapen steunde op een onderstel en kon via een scharnierpunt op en neer bewegen voor de hoogte. Als je de juiste hoogte gevonden dacht te hebben, moest je de kolf stevig tegen de schouder stabiliseren en niet meer bewegen. Dit is verreweg het moeilijkste gedeelte, het stil blijven liggen. Het weer was al beoordeeld om mogelijke zijwind te compenseren qua afstelling. De ademhaling en hartslag onder controle zien te krijgen, wat niet meevalt onder die omstandigheden. Het moment nadert, je zoekt langzaam met je vinger naar het drukpunt van de trekker, nog een laatste controle op een eventuele windvlaag met misschien een intuïtieve wijziging van het vizier, je houdt de adem drie tellen in en haalt rustig de trekker over. Zo doe je dat.

Van de twintig schoten waren er negentien exact door de tien, eentje was iets afgeweken en veroorzaakte aan de rand van het ontstane gat een kleine uitstulping. Misschien door de windverplaatsing van een plotseling opvliegende fazant naast de baan, maar de score van 99,5 procent was ongekend. Nummer twee had 96 (een heel getal deelbaar door drie is gemakkelijk te onthouden) en van de rest weet ik niets meer. Een score van 95 werd als heel goed beoordeeld, bij 97,5 was sprake van een sensatie en daarboven bijna een anticlimax. De roos mocht ik houden en kwam terecht op zolder van de ouderlijke woning en is later kwijtgeraakt bij een opruimactie van mijn moeder. Wie bewaart nou een stuk karton met een raar gat in het midden…

We hebben het uitbundig gevierd in de officiersmess van de Engelsen, die op het punt van alcohol geen nederlaag leden, het leken wel weekendtoeristen tijdens een uitje in Amsterdam. Er waren ook een paar mannen aanwezig met een bijzondere uitstraling, niet groot met heel brede schouders en donker haar, een zware baardgroei schemerde door de kaaklijn heen. Minstens twee keer scheren per dag leek me nodig om glad te blijven. Hun onderlinge taal was onverstaanbaar en klonk zangerig met veel keelklanken alsof keien langs een steile helling naar beneden rolden, het leek op rclacymllynillcwosychnslnbgegoll of iets dergelijks. Het bleek Welsh te zijn, wat niet zo vreemd was want ze kwamen uit Wales. Ze konden dwars door je heen kijken en hadden meteen door dat those arrogant English waren verslagen door een private. Dat bleek na kennismaking en het scheen ze veel plezier te doen, ik had een diep respect voor hen.

De volgende aflevering wordt gepubliceerd op 15 augustus, over twee weken.

Plaats een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.