Denksport

Schaken is een denksport, dat weten we. De lichamelijke gesteldheid, onze fysiek, is niet van belang. Dat wil zeggen, het is wel van belang maar niet om te kunnen denken. Het meest aansprekende bewijs vind ik Stephen Hawking, de Britse geleerde die volkomen gehandicapt is geraakt na de diagnose Amyotrofe Laterale Sclerose, in 1963. Dat heeft hem er niet van kunnen weerhouden om wetenschappelijk hoog gekwalificeerde boeken te schrijven. Over zwarte gaten, het heelal, ruimte-tijd continuüm, zwaartekracht, singulariteiten, dat soort simpele onderwerpen. Hij communiceert via het bewegen van zijn ogen. Het denkvermogen wordt door ALS niet aangetast en blijft intact. Bij go, bridge en dammen is het denkvermogen ook van het grootste belang. Maar het resultaat bij triktrak (= backgammon) bijvoorbeeld, wordt mede bepaald door dobbelstenen en dat maakt het ook tot een geluksspel. Alhoewel, bij schaken speelt de factor geluk eveneens een rol maar dan zonder dobbelstenen. Maar dat geldt voor ons hele bestaan. Zonder geluk vaart niemand wel.

Go en dammen hebben met schaken gemeen dat je een bord nodig hebt, bordspelen dus. Waarbij dammen en schaken met een vol bord beginnen dat steeds leger raakt, begin je bij go met een leeg bord, dat steeds voller wordt. Een bord van 19×19 lijnen. En de stenen worden niet op de velden geplaatst maar op de onbezette kruispunten van de lijnen, 361 stuks. Strategisch inzicht is bij go en dammen nog belangrijker dan bij schaken, heb ik altijd begrepen. Go is van oorsprong Oost-Aziatisch en wordt ook nu vooral op hoog niveau gespeeld in China en zijn buurlanden. Opmerkelijk dat Japan en Korea geen echt sterke schakers hebben voortgebracht maar China en Vietnam weer wel. En ondanks zijn naam is schaakgrootmeester Hikaru Nakamura geen Japanner maar Amerikaan met een Japanse vader en Amerikaanse moeder. Go is bij ons (en in heel Europa) niet echt een grote sport geworden.

Bridge is een prachtige bezigheid en wijkt in zoverre af dat je geen bord nodig hebt, een kaartspel dus. Kaartsport klinkt wat eigenaardig in tegenstelling tot kartsport waar Max Verstappen groot mee is geworden. Zijn wieg schijnt zelfs een kart geweest te zijn. Je vormt met je partner een paar hetgeen best prettig is als het fout gaat, dan weet je wie je de schuld kunt geven… Dat is bij schaken wel anders, bij een verprutste partij is je hele avond naar de knoppen. Bij bridge krijg je vele herkansingen. Tijdens één sessie speel je tegen zes andere paren met vier spellen per tafel dus vierentwintig spellen totaal. De ‘verprutsscore’ is ruim 4% per spel tegen 100% bij de andere denksporten. Moeten we het bij schaken met één Nederlandse wereldkampioen doen, Max Euwe 1935-1937, de bridgers kenden vaker succes. Het legendarische paar Hans Kreijns en Bob Slavenburg werd wereldkampioen in 1966 (dat weet ik nog goed, het was een sensatie!). Het open landenteam won de wereldtitel in 1993, 2011 (in Veldhoven, ik was erbij) en onlangs in 2016. Bij de dames lukte het Carla Arnolds en Bep Vriend om in 1994 wereldkampioen te worden. Het dames landenteam presteerde hetzelfde in 1989 en 2000.

En dan dammen, de internationale variant op de honderd velden bedoel ik. Er zijn ook minder bekende soorten op borden van 8×8 (met de schaaknotatie, dat hoort natuurlijk bij 64 velden) en op 12×12. Harm Wiersma heeft wel eens een dampuzzel gepubliceerd op een bord van 4×4. En 2×2? Lijkt me lastig… Persoonlijk vind ik dammen de moeilijkste van de denksporten. Misschien zegt een dammer dat van schaken, wie weet. Het diepe strategische inzicht, het vele en verre rekenen en vooral de abstracte eentonigheid van de schijven, je zou er hoorndol van worden. Met een kleine variatie als je een dam haalt, dan twee schijven op elkaar. Ik mis het relatieve houvast van de verschillende stukken. Hein Donner vatte het bondig samen: “Het is mij te plat.” En van de honderd velden wordt slechts de helft gebruikt, bij schaken is dat alle vierenzestig. OK, niet door ieder stuk, maar toch. En een remise wordt wel erg ruim beloond, met een vol punt nota bene! Daar moet een schaker méér voor doen. En pat is verlies voor de speler aan zet, hoe bedenk je het! En net als bij bridge, meer dan één Nederlandse wereldkampioen: Herman Hoogland 1912-1925, Ben Springer 1928-1934, Piet Roozenburg viermaal tussen 1948 en 1956, Ton Sijbrands 1972-1973, Harm Wiersma zesmaal tussen 1976 en 1984, Jannes van der Wal 1982-1983 en recent nog in december 2016 Roel Boomstra (als vervanger van Georgiev die zich om onduidelijke redenen had teruggetrokken), hij versloeg Jan Groenendijk. Dat duurde tot oktober 2017 en hij mag het in 2018 opnieuw proberen als uitdager.

Ton Sijbrands is volgens mij het grootste denksportgenie ooit. Van de gehele wereld? Misschien wel. Wat hij heeft gepresteerd op het gebied van blindsimultaan dammen grenst aan het ongelooflijke. Angstig zelfs! En ik weet zeker dat er verschillende Nederlandse schakers zijn (geweest) die maar wat blij waren dat Sijbrands zich niet echt ging toeleggen op schaken. Hij zou hierin ook gaan uitblinken en hen voorbij streven. Hij heeft een tijdje in Voorst gewoond en deed schaken gewoon ‘erbij’ en werd gewoon clubkampioen. In die tijd heeft hij een paar trainingsavonden bijgewoond in Denksportcentrum Apeldoorn, gegeven door Sipke Ernst en Artur Jussupow. Ook heeft hij schaakles gehad van Frans Henneberke, die ik mij herinner uit de jaren 1973-1975 en overleden in september 1988. Zie Ton Sijbrands, schaker van zijn hand op blz. 15 in het clubblad GB-2 van maart 1987. Henneberke speelde afwisselend met John Sloots op het eerste bord van het eerste team van Ons Genoegen (later zijn beiden overgestapt naar ASG) in de eerste klasse van de OSBO. Dit team werd kampioen in het seizoen 1975-1976 en de laatste wedstrijd, die ik qua opstelling terug vind in een notatieboekje is tegen Alcides Meppel op 7 oktober 1975. Winst met 8-2: Frans Henneberke 1, John Sloots 1, Lieuwe Boersma ½, Ferdi Arts 1, Theo van Beersum 1 (die ik veel later beroepshalve heb ontmoet in Eindhoven), Frans van Dijk ½, Rob Bosch 0, Bert Baas 1, Auke Fennema 1 en Joop Huismans 1. Tientallen toen.

Dat brengt ons op de interessante vraag: kan één persoon in meerdere denksportdisciplines de top halen? Bij Sijbrands lijkt me dat duidelijk, maar hij ambieerde het niet. Ook Jannes van der Wal was een sterk schaakspeler, bijna grootmeester niveau, zonder de echte top te (willen? kunnen?) bereiken. Hij kon ook heel goed bridgen. Emanuel Lasker (wereldkampioen schaken 1894-1921) kon ook goed bridgen maar zo goed als hij zelf vond dat hij was, dat niet. Bescheidenheid was niet zijn grootste deugd, maar hij is wel het langst wereldkampioen geweest van alle schakers. Lasker vormde vaak een bridgepaar met Salo Landau, die Nederlands kampioen werd in het jaar dat toenmalig wereldkampioen Euwe niet meedeed, in 1936. De schaakvereniging in Axel (waar ik anderhalf jaar lid ben geweest) is in 1946 onder zijn naam opnieuw opgericht. Landau was Pool van geboorte en via hem worden de Poolse soldaten geëerd, die Axel hebben bevrijd in september 1944. Het Szydlowski plein en de Gdynia brug (en museum) getuigen eveneens van de Zeeuws-Vlaamse dankbaarheid en historisch besef. Salo Landau was ook van Joodse komaf en werd verraden in de oorlog, met vrouw en dochtertje van vijf jaar. Hij is overleden in een dwangarbeiderskamp. Vermoord noem ik dat en zijn gezin ruim een half jaar later in Auschwitz, oktober 1944. Interventie door Euwe via Aljechin heeft niet mogen baten. Terwijl Landau nog wel Aljechin’s secondant is geweest. Maar ja, die Aljechin in de oorlog…

De grootste uitblinker in dammen én schaken tegelijkertijd was zonder twijfel Rashid Nezhmetdinov. Ik kan me zelfs zijn naam nog herinneren in dit verband. Hij was vijfmaal Russisch schaakkampioen (een record) en ten minste één keer bij het dammen. Hij won van Tal (en was diens secondant), Spassky, Polugajevsky (en vele anderen) om een paar grote namen te noemen. Zijn grootste handicap was in feite dat hij alleen maar op zoek was naar complicaties met een grotere kans op prachtige en meeslepende combinaties en het positionele aspect daardoor verwaarloosde. Zie deze documentaire (49:10) voor een nadere kennismaking met deze boeiende Tataar.

Het grootste denksport multitalent is echter de Fransman Pierre Ghestem, naar veler mening. Was tweemaal wereldkampioen dammen (1945, 1947) en wereldkampioen bridge met het landenteam (1956). En hij schaakte ook op een heel redelijk niveau. Zowel in dammen als bij bridge is de theorie verrijkt met door hem uitgewerkte eigen vondsten, de Ghestem-doorstoot en de Ghestem-conventie.

Antwoord op bovengestelde vraag: ja, het is mogelijk maar het komt heel weinig voor. En ikzelf? Vooropgesteld dat iedere vergelijking volkomen mank gaat, kan ik daar kort over zijn. Go beheers ik niet meer (wel ooit gedaan), dammen trekt mij niet echt (ook ooit gedaan), bridge speel ik (al heel lang) tegenwoordig bij Entre Nous in het ‘andere’ denksportcentrum met mijn vrouw als partner, nooit onenigheid (echt niet?) en ik schaak graag (nog langer, zo’n zestig jaar al weer, niet te geloven). Niveau? Kan ik nog korter over zijn. Het niveau neemt af en ik zie meer over het hoofd dan me lief is. Bij bridge kun je dan je partner nog verwijtend aankijken, nooit terecht natuurlijk, ook andersom trouwens. Bij schaken moet je in een spiegel kijken, want je doet het toch echt helemaal alleen maar zelf.

Een reactie plaatsen